Je hebt wel eens van die ochtenden die net iets beter zijn dan ‘n standaard ochtend. Ondanks dat ik zoals altijd met mijn vertrouwde linkerbeen uit bed ben gestapt is dit zo’n betere ochtend. Wat ik toen nog niet wist is dat er een turbulente ochtend voor mij in het verschiet lag…
Het is acht uur ‘s ochtends, het meest walgelijke tijdstip om plaats te nemen in de blauw-gele metalen bak van de Nederlandse Spoorwegen. Terwijl de trein ons vanuit de verte tegemoet komt rijden zie ik dat verschillende mensen op het perron reeds begonnen zijn met het opstellen van de eerste strategieën; het gevecht om de zitplaatsen is van start gegaan. Terwijl de trein bijna tot stilstand komt verheug ik me op de komische taferelen die zoals vanouds plaatsvinden bij het openen van de deuren.
Ondertussen loop ik richting de voorste coupé. Bij iedere deur die ik passeer wordt ik getrakteerd op een act vol met sluw duw- en trekwerk. Stukje bij beetje weet de mensenmassa zich in de trein te wringen. Ik stap door de deuropening van de voorste coupé en realiseer me al snel dat het stukje lopen de moeite waard was. Het aanzicht van de lege stoel maakt de ochtend die al zo goed begon alleen maar beter.
Nadat ik goed en wel ben gaan zitten pak ik de maandageditie van de Spits uit mijn tas. Naast me zit een jongeman van ongeveer mijn leeftijd, gekeerd in zijn eigen wereldje. Oordopjes in, oogdoppen dicht. Op het moment dat ik wil gaan beginnen met lezen klinkt er een schelle stem door de coupé. “Goedemorgen dames en heren, uw vervoersbewijs alstublieft.” Warempel, een conductrice die goedgehumeurd schijnt te zijn deze ochtend. De zombies in deze coupé lijken echter geen waardering te kunnen tonen voor de vrolijke entrée van de kaartenknipster. Ik heb bijna medelijden met haar.
Terwijl het enthousiaste vrouwtje mij nadert pak ik mijn vervoersbewijs tevoorschijn. Ik heb de primeur van de ochtend te pakken door de eerste treinreiziger te zijn die de conductrice een goede ochtend wenst. Ik overhandig haar mijn vervoersbewijs en heb m’n hand alweer in positie om de kaart terug te krijgen. ‘Hij doet het niet’, krijg ik te horen van de vrouw die tot enkele seconden geleden vrolijk op mij overkwam. Inmiddels was haar blik veranderd tot een bijna satanistische grimas. Triomfantelijk overhandigt de conductrice mij een miniscuul velletje papier met daarop telefoonnummers en mailadressen van de NS en consorten.
“Ga snel aan de slag met het aanvragen van een nieuwe chipkaart. Tot die tijd moet je kaartjes kopen. Als ik jou morgen weer tegenkom in de trein krijg je van mij een boete, bovenop de ritprijs.” Terwijl het autoritaire figuur dit standaardzinnetje vanuit haar gedachten opleest, realiseer ik me dat ik het zoveelste slachtoffer ben van de mislukking die de ov-chipkaart heet. Ondertussen voel ik meer dan ’n tiental paar ogen in mijn rug branden. Nog geen 10 seconden nadat de conductrice de coupé heeft verlaten blijkt de voorheen levenloze jongeman naast mij toch redelijk in contact te staan met de wereld om hem heen. Hij bevestigt mijn mening over het zojuist voorgevallen incident; “Dat heb ik laatst ook gehad. Ik heb toen 4 weken lang kaartjes moeten kopen, tot ik een nieuwe kaart had.”
Terwijl de intercity verder doorrijdt, verspringen mijn gedachten naar wat er zojuist gebeurd is. Wat kun je er tegen doen? Niets. Laat ik me hierdoor van de wijs brengen? Nee, ik laat mijn ochtend niet verpesten door zo’n autoritair figuur, en al zeker niet mijn magere financiële budget. Inmiddels reis ik al bijna ’n week met ’n defecte ov-chipkaart. Wie het laatst lacht.. Toch?

